Gedrag:

Sociaal gedrag en leergedrag

Tijdens de opvoeding van een kind met Downsyndroom lopen ouders regelmatig aan tegen problemen op het gebied van sociaal gedrag en leergedrag.

Veel genoemde problemen zijn:

  • Mijn kind kan impulsief reageren,
    waardoor soms gevaarlijke situaties ontstaan voor hemzelf of anderen
  • Mijn kind luistert niet naar instructies van opvoeders en gaat zijn eigen gang
  • Mijn kind loopt vaak weg
  • Mijn kind kan zich niet concentreren
  • Mijn kind probeert anderen voor zijn karretje te spannen als hij iets nieuws moet leren of de opvoeder van de leertaak af te leiden (leervermijding)
  • Mijn kind is niet gemotiveerd om nieuwe leerervaringen op te doen
  • Mijn kind wil niet oefenen, geeft dingen snel op.

Hieronder volgen enkele praktische tips om moeilijk gedrag van je kind effectief aan te pakken.

  1. Veranderingen aankondigen
    Wanneer een routine verandert moet dit van te voren en heel expliciet uitgelegd worden aan het kind, eventueel visueel ondersteund met een tekening en/of tekst.

    Ook kan de veranderde routine in sommige gevallen ingeoefend worden met het kind. Het duidelijk vooraf aankondigen van veranderingen blijft in alle ontwikkelingsfasen belangrijk.

  2. Probleemsituaties voorkomen
    Vooral bij jonge kinderen is het van belang om gevaarlijke situaties te voorkomen waar mogelijk.
    Laat het babyzusje niet alleen met je kind en laat het traphekje nooit openstaan, ook al gaat het 99 van de 100 keer goed.

  3. Praten met je kind en rollenspel
    Naarmate het kind ouder wordt kun je meer met het kind gaan praten over wat er wel en niet mag en wat de gevolgen van zijn handelen zijn. Ook kun je situaties via rollenspel met je kind naspelen.
    Tevens kun je alternatief gedrag aanleren. Bijvoorbeeld: je oefent met het kind hoe het kan reageren als het boos op een ander kind is, zonder meteen te gaan slaan.

  4. Persoonlijk aanspreken, op gang helpen en checken
    Om het kind beter te laten luisteren naar opvoeders is het noodzaak de instructies steeds tegen het kind persoonlijk te geven, niet tegen een groep. Het kind moet je aankijken en laten blijken dat het je heeft gehoord. Meestal is het nodig het kind nog even op gang te helpen bij wat hem opgedragen is, zodat hij in de ‘juiste groef’ komt.
    Natuurlijk is het belangrijk dat het kind zijn taak tot het eind uitvoert. Regelmatig checken en eventueel weer op het spoor zetten is daarom noodzakelijk.

  5. Weglopen aanpakken
    Als een kind wegloopt kun je een visuele begrenzing aangeven, bijvoorbeeld een rode streep trekken of een hek maken met een bel eraan. Vervolgens oefen je met je kind hoe het naar de streep of het hek loopt, dan stopt en nadenkt ‘ik mag niet verder’ en tenslotte weer teruggaat. Tegelijkertijd moet er een beloning zijn voor goed gedrag en een straf voor toch weglopen. Dit geldt ook voor andere vormen van ongewenst gedrag.

  6. Time-out
    Als je een kind straf geeft moet je de straf direct geven, zodat het echt als een straf door het kind wordt beleefd. Meestal werkt een time-out goed. Je zet het kind apart en besteedt een paar minuten geen aandacht aan hem. Je kunt eventueel een eierwekker zetten die aangeeft wanneer de straf over is. Daarna beloon je hem niet, maar brengt hem op een neutrale manier terug naar zijn activiteit. De gekozen straf moet consequent, dus 100% van de keren, gegeven worden, anders werkt het niet.

    Als het kind gaat gillen of zich los gaat worstelen tijdens de time-out negeer je hem terwijl je ervoor zorgt dat hij de straf wel uitzit, eventueel door hem fysiek tegen of vast te houden terwijl je hem niet aankijkt. Nadat de straf is afgelopen kijk je nauwkeurig of je kind voorbeelden van goed gedrag laat zien en beloont hem daarvoor.



Leervermijding

  1. Concentratieboog ontwikkelen
    Om leervermijdingsgedrag te voorkomen kun je het best zo vroeg mogelijk beginnen met het verlengen van de concentratieboog van je kind. Op het moment dat het kind een spelletje opgeeft haal je hem nog even terug en verlengt het spel met een paar minuten.

    Leer je kind dat hij zijn geest naar eigen keuze weer terug kan brengen wanneer deze afdwaalt. Dit leert hij doordat jij dat met hem doet en hij het zelf ervaart.

  2. Hulp op maat bieden
    Probeer je kind hulp op maat te bieden en de hulp steeds verder af te bouwen. Dit geldt voor elke leertaak.
    Als je kind hulp aan jou vraagt, hoef je daar niet meteen op in te gaan. Laat hem eerst zelf proberen en help hem door zijn frustratie heen: 'Van proberen kun je leren'.
    Beloon je kind evenveel voor het oefenen en proberen als voor het resultaat.

  3. Dagelijks oefenen met je kind
    Oefen liefst dagelijks met je kind, zodat het oefenen een routine wordt. Je kind gaat het dan verwachten en er zelfs om vragen als je het een keer overslaat.

    Maak je kind steeds vaardiger en blijf zelf rustig als je kind gefrustreerd raakt en het wil opgeven. Hoe vaardiger je kind in iets wordt, hoe meer hij gemotiveerd is het weer opnieuw te doen.

  4. Weerstand tegen nieuwe leerervaringen overwinnen
    Leer je kind ook dat het opdoen van nieuwe leerervaringen leuk is. Voeg elementen toe aan zijn spel en bied nieuwe spelletjes aan. Wees zelf enthousiast, doe het voor en laat je kind stap voor stap meer deelnemen aan het spel.

    Ga ervan uit dat je kind eerst weerstand zal bieden, maar nadat hij een beetje gewend is mee zal gaan doen: 'drie keer nee is ja' voor veel kinderen met Downsyndroom. Op den duur zal de weerstand tegen het nieuwe verdwijnen.

Bron: www.stichtingscope.nl

UA-57056383-1